OECD Multilingual Summaries

Environment at a Glance 2013: OECD Indicators

Summary in Dutch

Cover
Read the full book on:
10.1787/9789264185715-en

Milieu in een oogopslag 2013: OESO‑indicatoren

Samenvatting in het Nederlands

Onze levensstijl in de 21e eeuw en de groeiende wereldbevolking hebben essentiële natuurlijke hulpbronnen onder druk gezet, zoals lucht, water en land, compleet met het dieren‑ en plantenleven dat daarvan afhankelijk is. Hoe succesvol zijn we in het verbreken van de band tussen economische groei en beschadiging van het milieu? Het antwoord is zeer gemengd, met enige verbetering op belangrijke gebieden, zoals luchtvervuiling, transport, energie, water en bescherming van de biodiversiteit, maar dit is onvoldoende om onze natuurlijke hulpbronnen in de toekomst veilig te stellen.

De druk op het milieu neemt voortdurend toe, ook al is dat sinds de jaren 1990 met een lager tempo dan de economische groei in de OESO‑landen, een proces dat 'relative decoupling' ofwel 'relatieve ontkoppeling' heet.

Energie‑intensiteit – de hoeveelheid energie die nodig is om een eenheid BNP te creëren – is de afgelopen twintig jaar in de OESO‑landen afgenomen. De hoeveelheid gas in de brandstofmix is toegenomen, maar over het algemeen zijn fossiele brandstoffen nog steeds de grootste bron van energie. In de OESO is het aandeel van duurzame energie van ca. 9% van de totale voorziening, relatief stabiel gebleven, met gedurende de afgelopen paar jaar een kleine toename. De factoren die meespelen bij de reductie van de energie‑intensiteit zijn structurele wijzigingen van de economie, maatregelen ten bate van energiebehoud en activiteiten gericht op milieubescherming, technische vooruitgang en in sommige landen de overdracht van energie‑ en hulpmiddelenintensieve productie naar het buitenland.

De reductie van het energieverbruik per hoofd van de bevolking verloopt veel langzamer, deels vanwege een toename van 17% van het energieverbruik voor transport. Wegvervoer domineert nog steeds de transportsector, met als gevolg extra brandstofverbruik en aanleg van wegen, wat gevolgen heeft voor de gezondheid en de natuur. De programma's van de landen gericht op schonere voertuigen wordt grotendeels gecompenseerd door de toename van het aantal voertuigen op de weg en het intensievere autogebruik. Over het algemeen bestaat er nog steeds een verband tussen transportactiviteiten en de groei van het BNP. In ruim een derde van de OESO‑landen verloopt de groei van het wegverkeer sneller dan de economische groei.

Materiaalintensiteit – de hoeveelheid materiële hulpmiddelen die nodig zijn om een eenheid BNP te produceren – is sinds 1990 ook afgenomen. Het materiaalgebruik heeft zich in de OESO‑landen relatief ontkoppeld van de economische groei. Dit komt deels door de groei van de service‑industrie en de economische crisis, deels door een toename van de import en de overdracht van hulpmiddelintensieve productie naar het buitenland.

Landbouwproductie is in de OESO‑zone van 2000 to 2010 langzamer gegroeid dan in de jaren 1990. Tegelijkertijd zijn verschillende landbouwgerelateerde milieuproblemen afgenomen: broeikasgasemissies, het gebruik van water en kunstmest en het overschot aan nutriënten (met mogelijke absorptie daarvan door de aarde, het water en de lucht). Een reductie van de landbouwondersteuning, vooral de meest milieuonvriendelijke, heeft bij deze verbetering een belangrijke rol gespeeld.

Over het algemeen moet er meer aan worden gedaan om voor een duidelijke verschuiving van relatieve naar absolute ontkoppeling te zorgen, die de schade aan het milieu ongedaan kan maken, zodat de natuurlijke hulpmiddelen worden beschermd en de kwaliteit van het leven van de mensen wordt verbeterd.

Belangrijkste bevindingen

  • Over het algemeen nemen broeikasgasemissies overal ter wereld nog steeds toe. CO2 is de grootste reden voor deze trend. Sinds 1990 zijn energiegerelateerde koolstofdioxide (CO2)‑emissies in de OESO‑landen langzamer toegenomen dan in de rest van de wereld. Tegenwoordig zijn OESO‑landen verantwoordelijk voor minder dan de helft van de broeikasgasemissies ter wereld, maar stoten ze nog steeds veel meer CO2 per hoofd van de bevolking uit: 10 ton per persoon, vergeleken met 4 ton per persoon in de meeste andere regio's. Veel OESO‑landen hebben hun kooldioxide (CO2)‑emissies losgekoppeld van de BNP‑groei, ook al blijft deze ontkoppeling zwak en zijn in veel landen de emissies toegenomen.
  • Zwaveloxide (SOx) en stikstofoxide (NOx) emissies zijn in de OESO‑zone sinds 1990 sterk afgenomen (respectievelijk ‑69% en ‑36%). Nagenoeg alle OESO‑landen hebben SOx‑emissies volledig van hun BNP losgekoppeld, en twee derde heeft dat ook voor NOx‑emissies gerealiseerd. In enkele OESO‑landen zijn de NOx‑emissies echter parallel aan het BNP en de gestage toename van het wegverkeer toegenomen. Ozon aan de grond, NO2‑concentraties, fijne deeltjes en giftige luchtvervuiling brengen nog steeds schade toe aan de menselijke gezondheid, vooral in stedelijke gebieden.
  • Onttrekking van zoet water is in de OESO‑zone sinds de jaren 1990 over het algemeen stabiel gebleven, ondanks de toegenomen vraag naar water uit verschillende bronnen. Dit komt door een efficiënter gebruik van water en een beter prijsbeleid, maar ook dankzij de betere inzet van alternatieve bronnen van water, zoals hergebruik en ontzilt water In veel OESO‑landen is de onttrekking van water relatief ontkoppeld van BNP‑groei, maar de resultaten tussen de landen onderling verschillen.
  • De infrastructuur voor waterzuivering is sterk uitgebreid; het aandeel van de OESO‑bevolking dat aangesloten is op een gemeentelijke afvalwaterzuiveringsinstallatie is van ca. 60% aan het begin van de jaren 1990 tot nagenoeg 80% in 2010 gestegen. Een probleem voor verdere uitbreiding van afvalwaterzuivering in sommige landen is het bereiken van kleine of geïsoleerde bevolkingsgroepen. In veel landen stijgen de kosten, omdat ze ouder wordende watervoorzienings‑ en zuiveringsnetwerken moeten onderhouden en actualiseren.
  • De oppervlakte van het beschermde land is in nagenoeg alle OESO‑landen toegenomen. In sommige landen is dit zelfs 11% van de totale landoppervlakte. Deze gebieden vertegenwoordigen echter niet altijd de nationale biodiversiteit en ook zijn ze niet altijd voldoende onderling verbonden. De biodiversiteit wordt bedreigd, vooral door wijzigend landgebruik en de ontwikkeling van de infrastructuur; veel natuurlijke ecosystemen zijn aangetast en veel dieren‑ en plantensoorten in de OESO‑landen zijn bedreigd. De bedreiging is vooral groot in landen met een hoge bevolkingsdichtheid.
  • De bossen zijn in de OESO relatief stabiel gebleven en bezetten ca. 30% van het landoppervlak. De meeste OESO‑landen melden dat ze in kwantitatieve termen op duurzame wijze van hun bossen gebruik maken. Er bestaan echter grote variaties binnen de landen onderling en veel bossen worden bedreigd door aantasting, fragmentatie en overschakeling op een ander landgebruik. De grotere vraag naar hout om aan de doelstellingen voor duurzame energie te voldoen, speelt een steeds grotere rol bij de commerciële uitbating van bossen en wouden.
  • De hoeveelheid gemeentelijk afval dat in de OESO‑zone wordt geproduceerd is in de jaren 1990 met 19% gestegen, maar deze stijging is sinds begin jaren 2000 afgezwakt. Tegenwoordig produceert iedere persoon in de OESO‑zone gemiddeld 530 kg afval per jaar. Dit is 30 kg meer dan in 1990, maar 30 kg minder dan in 2000. De OESO‑landen proberen steeds vaker stortplaatsen en verbrandingsovens te ontzien door het afval via hergebruik weer in de economie te introduceren. Toch zijn stortplaatsen in veel OESO‑landen nog steeds de voornaamste afvalverwijderingsmethode.

© OECD

Deze samenvatting is geen officiële OESO-vertaling.

Reproductie van deze samenvatting is toegestaan, mits het OESO-copyright en de titel van de oorspronkelijke publicatie worden vermeld.

Meertalige samenvattingen zijn vertaalde uittreksels van OESO-publicaties die oorspronkelijk in het Engels en Frans zijn gepubliceerd.

Deze zijn gratis te verkrijgen via de Online Bookshop van de OESO www.oecd.org/bookshop

Neem voor meer informatie contact op met de eenheid OECD Rights and Translation, Public Affairs and Communications Directorate op, rights@oecd.org of per fax: +33 (0)1 45 24 99 30.

OECD Rights and Translation unit (PAC)
2 rue André-Pascal, 75116
Paris, France

Bezoek onze website www.oecd.org/rights

OECD

Read the complete English version on OECD iLibrary!

© OECD (2013), Environment at a Glance 2013: OECD Indicators, OECD Publishing.
doi: 10.1787/9789264185715-en